Paardenras: Przewalski

Przewalski

 

Net als alle andere organismen, is het paard in vele jaren geëvalueerd tot het paard/de pony die wij nu gebruiken om te rijden of te mennen. Het Przewalskipaard (Equus przewalskii przewalskii) is een van de voorvaderen van ons huispaard (Equus przewalskii caballus). Gelukkig zijn ze dankzij fokprogramma's in dierentuinen van uitsterven bespaard gebleven. Bij Safari Beekse Bergen in Hilvarenbeek loopt een groepje van 7 merries in het 'wildpark'. Leuk dus om eens te gaan kijken hoe deze laatste wilde paarden er uit zien en zich gedragen. Voor dat jullie op stap gaan, volgt hier vast wat informatie.

 

In 1878 maakte Nikolai Michailovitsch Przewalski, een kapitein van de Russische cavalerie, een expeditie door Centraal-Azië. Tijdens deze tocht ontdekte hij een soort paardachtige die hij nog nooit eerder had gezien. Hij dacht dat hij een nieuwe ezel soort had ontdekt. Zijn vriend, de Russische zoöloog Polyakov, ontdekte dat deze soort nauw verwant was aan het huispaard. Deze nieuwe soort kreeg de naam Equus przewalskii polyakov. Tegenwoordig wordt het beschouwd als een ondersoort van het wilde paard en heeft het de naam Equus przewalskii przewalskii polyakov. Het is het laatste wilde paard. Alle huidige przewalskipaarden zijn gefokt uit zestien overgebleven individuen. Het przewalskipaard wordt beschouwd als voorouder van het huispaard. Vroeger dachten biologen dat ons huispaard afkomstig was van de tarpan, een uitgestorven wild paard dat in Europa en Azië in bossen en op steppen leefde.

 

Het Przewalskipaard heeft een gedrongen lijf met korte benen, niet erg geschikt om mee te rijden dus. De kop is relatief groot en heeft altijd een witte snuit. De oren zijn klein en spits. De vacht is in de zomer roodbruin en in de winter vaalbruin. Typisch zijn de rechtopstaande manen, een zwarte aal-streep in de lengterichting van de rug, zwarte onderbenen en een dunne, lange, bijna tot op de grond hangende, staart. Ze zouden, naast dat ze geen atletisch lichaam hebben, zowiezo niet geschikt zijn om mee te rijden. Het Przewalskipaard is namelijk niet tam te maken. Als ze om (veterinaire redenen) door mensen benaderd moeten worden, is het nodig om ze te verdoven.

 

Het Przewalskipaard kwam oorspronkelijk voor van West-Europa tot Centraal-Azië en voornamelijk op de steppen van Mongolië en West-China. Tegenwoordig zijn ze uitgestorven in het wild en leven alleen in dierentuinen en natuurreservaten. In het gebied waar ze oorspronkelijk leefden, ligt vaak sneeuw en is er bovendien jaarlijks een droge periode die drie tot vier maanden duurt. Tijdens de droogte is er nauwelijks water te vinden. Door deze barre omstandigheden zijn deze paarden gehard en hebben ze een groot uithoudingsvermogen ontwikkeld. Ze kunnen een snelheid van 60 kilometer per uur zo'n 12 kilometer lang volhouden. Meestal verblijven ze overdag midden in de woestijn en trekken ze 's nachts naar de randen om te eten. Przewalskipaarden voeden zich met gras, struiken, kruiden en knollen.

 

Przewalskipaarden leven in kleine kudden, bestaande uit een hengst, enkele (max. 10) merries en hun veulens. De hengst voert zijn harem aan en verdedigt deze fel. Hij jaagt de mannelijke veulens die bijna volwassen zijn uit de harem. Alle haremleden moeten hem gehoorzamen. Dit maakt hij ze duidelijk door een beet in de manen. Hierbij laat hij zich niet afschrikken door schoppende merrie. Als een merrie protesteert, gaat de hengst zo dicht bij haar staan, dat hij haar met zijn mond vast kan pakken, maar ze hem niet kan schoppen. Hij houdt zijn hoofd zo laag, dat zijn mond bijna de grond raakt, de oren plat in de nek. Als een vrouwtje of veulen eenmaal op zijn plaatst is gezet, is deze dreighouding voldoende om dit dier te laten luisteren. De theorieën achter het 'Natural Horsemanship' zijn hierop gebaseerd. Een hengst is dus zeer dominant, maar hij beschermt zijn harem ook zeer fel. Als zijn harem wordt benadert door een vijand (wolven of de mens), gaat hij zonder waarschuwing tot een aanval over, waarbij hij vecht op leven en dood. Hij is zeer succesvol in het afweren van vijanden, die ontzag hebben voor zijn harde schoppen. Als de kudde moet vluchten, loopt de hengst altijd achteraan en drijft de merries en veulens op. Ook de merries vechten onderling veel. Dit doen ze vooral als ze veulens hebben. De hengst houdt zich bij zulke gevechten afzijdig. Het paarseizoen valt tussen mei en juli. Merries zijn 2 tot 4 dagen in oestrus. Voordat er gepaard wordt, maakt de hengst de merrie het hof. Tijdens een paring komt de hengst soms met zijn achterbenen los van de grond. Na een draagtijd van iets minder dan een jaar (dus net zo lang als bij onze huidige fokmerries), wordt één veulen geboren. Een paar maanden voor de geboorte van een volgend veulen, wordt het gespeend.

 

Alle huidige Przewalskipaarden zijn afkomstig van een groep van zestien (vruchtbare) dieren die er in de jaren vijftig nog bestonden. In dierenparken en reservaten heeft men in eerste instantie geprobeerd zoveel mogelijk dieren te fokken. Iets wat onvermijdelijk is bij een zo'n kleine startgroep, is inteelt. Dit uit zich bij Przewalskipaarden in ataxie; een zenuwaandoening aan de achterbenen. Hierdoor worden de benen zwak. Nu er weer redelijke aantallen zijn (bijna 1500) richt de fok zich niet meer op kwantiteit, maar op kwaliteit. Er wordt alleen nog maar gefokt met de individuen die het minst last hebben van ataxie. Sinds 1992 worden gezonde dieren weer uitgezet op hun oorspronkelijk leefgebied in Mongolië.

 

 

Terug naar Rassen Info